Door Paul Kreemers, oprichter van De Pitstop, een inloopvoorziening voor dakloze jongeren in Alkmaar. Dit stuk is geschreven op persoonlijke titel.
Woensdag liep de halve stad met lampionnen achter de fanfare aan. Donderdag hingen de vlaggen uit en zei iedereen het weer, eerst plechtig en later met een biertje in de hand: bij Alkmaar begint de victorie. Ik zeg het ook. En ik meen het. Een stad die standhield toen andere steden vielen, dat verhaal is het vertellen waard, elk jaar weer.
Een paar honderd meter van de feesttent ligt het Munnikenbolwerk. Een bolwerk is, voor wie het vergeten is, een verdedigingswerk. Je bouwt het om de vijand buiten te houden. Op dat bolwerk staan twee bankjes. En die moeten weer weg.
Weer, ja. Want deze bankjes hebben een indrukwekkende staat van dienst. Ze zijn al eens verplaatst. Er is al eens besloten dat ze helemaal moesten verdwijnen. Een partij in de raad riep vorig jaar op om de landmacht in te zetten tegen de overlast rond die bankjes. Symbolisch, werd er later bij gezegd. Nu vragen ondernemers rond het park of de bankjes een stukje verderop kunnen. Nog een paar rondes en ze staan in Heiloo. (tekst gaat verder onder de foto)
Over elke plek van bankjes op het Munnikenbolwerk is inmiddels wel discussie, stelt gastcolumnist Paul Kreemers. (foto: Streekstad Centraal)Ik wil die ondernemers recht doen. De eigenaren van de kebabzaak zeggen er in de krant zelf bij dat ze geen slachtoffer zijn, en dat het om echte mensen gaat die geholpen moeten worden. Dat is meer menselijkheid dan ik in de meeste raadsdebatten over dit onderwerp heb gehoord. De ondernemers vragen om twintig meter. Zij hoeven het probleem niet op te lossen. Dat is ook hun werk niet.
Maar het patroon is helder. Elke keer dat Alkmaar dakloosheid tegenkomt, pakken we de vestingbouwkunde erbij. Wegsturen. Verplaatsen. Afschermen. Handhaven. Het bolwerk werkt nog uitstekend. We hebben alleen de kanonnen omgedraaid. Ze staan nu naar binnen gericht, op mensen die ook gewoon Alkmaarder zijn.
Ik werk iedere dag met jongeren die over een paar jaar op zo'n bankje kunnen zitten, als niemand ze op tijd opvangt. Ik ken een jongen die een jaar lang niet in de nachtopvang mocht komen. Hij sliep in bootjes aan de gracht, onder het zeil van de sloepjes van buurtbewoners, om een beetje warm en droog te blijven. In de buurtgroep op Facebook klaagden de eigenaren over de junk die weer in hun bootje had gelegen. Alleen was hij nog geen junk toen ik hem leerde kennen.
Die jongeren hebben geen bankje nodig, ze hebben een bed nodig. Een deur die opengaat, en iemand die bij de eerste de beste terugval niet meteen de sleutel weer afpakt. (tekst gaat verder onder de foto)
Alkmaar gaat Werelddaklozendag in met een discussie over waar het straatmeubilair moet staan. (foto: Streekstad Centraal)Zaterdag is het Werelddaklozendag. En ik vind het nogal gênant dat Alkmaar die dag ingaat met een discussie over waar het straatmeubilair moet staan.
Er is een nieuw college. Het akkoord heet Vol Vertrouwen Vooruit en belooft een gemeente die er is voor iedereen. Dat is een mooie zin, en ik wil hem graag geloven. Maar een gemeente die er is voor iedereen, schuift niet met bankjes zodat het probleem twintig meter verderop ligt. Die zorgt dat de mensen die erop zitten iets anders hebben om naartoe te gaan.
Dus, beste college: maak er werk van. Zorg dat er vóór de volgende achtste oktober een kleinschalige, veilige nachtopvang speciaal voor jongeren open is. Zet ze niet tussen mensen die al decennia op straat leven, maar geef ze een eigen plek, met begeleiding die blijft. De grootste partij in jullie coalitie noemde het in haar eigen programma onacceptabel dat jongeren nu tussen oudere, jarenlang verslaafde daklozen moeten slapen. Ik ben het daar roerend mee eens. Een jaar is ruim genoeg om daar iets aan te doen. Dan hebben we volgend jaar écht iets te vieren.
In 1573 hield Alkmaar stand omdat de stad wist wie er binnen de muren hoorde. Het zou mooi zijn als we dat in 2026 nog steeds weten. (Hoofdfoto: Pexels)
